Immunotherapie als ziekte modificerende behandeling van inhalatieallergie
Het menselijke immuunsysteem is fascinerend in zijn complexiteit en geraffineerdheid. Het roept diepe bewondering op hoe de natuur dit gelaagde systeem heeft ontworpen, met het vermogen om doelgericht te reageren op ontelbare verschillende infecties en allergenen. In alle ingebouwde feedback loops ligt de verbluffende effectiviteit van het immuunsysteem, maar schuilt ook het gevaar van overreactie en het aanvallen van eigen weefsel als onschuldige “allergenen” worden aangezien voor schadelijke pathogenen. De kleinste aangeboren of verworven systeemfouten kunnen grote gevolgen hebben als er niet tijdig een medische oplossing wordt gevonden om de fout te repareren of compenseren.
De afgelopen decennia is spectaculaire vooruitgang geboekt in het beter begrijpen van de werking en pathologie van het immuunsysteem en het ontwikkelen van effectieve diagnostiek en therapieën, waarbij het de kunst is om met een zo simpel mogelijke modulatie het immuunsysteem in “goede banen” te dwingen.
Een voorbeeld van deze therapeutische vooruitgang is de allergeen specifieke immunotherapie die al honderd jaar wordt toegepast en steeds meer tailormade is gemaakt.
Het betreft een ziekte modificerende therapie die zich onderscheid van symptomatische behandelingen zoals antihistaminica, corticosteroïden en biologicals.
Binnen de inhalatieallergie wordt immunotherapie toegepast bij astma en rhinoconjunctivitis. De richtlijnen van het Global Initiative for Asthma (GINA) beschrijven op een duidelijke wijze het belang van huisstofmijt immunotherapie bij patiënten met astma en richten zich op het verder verbeteren van gepersonaliseerde zorg, proactief astmabeheer en het verminderen van astma-aanvallen.
Bij rhinoconjunctivitis veroorzaakt door pollen en/of huisstofmijt is immunotherapie geïndiceerd wanneer de ziekte niet goed onder controle is te krijgen met symptomatische therapie door niet afdoende effectiviteit, intolerantie of afhankelijkheid van medicatie.
Immunotherapie neemt de allergie niet weg, maar leert het lichaam de allergenen van pollen en/of huisstofmijt te tolereren tot een niveau dat de patiënt er geen of veel minder last van heeft. In gerandomiseerde, gecontroleerde klinische studies laat immunotherapie significante verbeteringen van de klachten zien. De behandelduur is minimaal drie en maximaal vijf jaar, afhankelijk van het proces van de verbetering. Immunotherapie wordt als effectief beschouwd als er 50% vermindering van de klachten wordt bereikt.
Het voordeel van een ziekte modulerende therapie is de continuïteit van het effect. Na het afronden van de 3-5 jaar desensibilisatieperiode van immunotherapie blijft het effect doorgaans jarenlang onverminderd doorwerken en keren de klachten niet snel terug. Bij het stoppen van een biological keren de klachten onmiddellijk terug. Bovendien is er sprake van afhankelijkheid en chronische behandeling.
De klimaatverandering zal met de komst van nieuwe allergenen en pathogenen de vraag naar allergologische zorg verder opdrijven. De incidentie van onder andere pollenallergie neemt toe en wordt mogelijk ook steeds lastiger te behandelen door de komst van nieuwe, deels nog onbekende allergenen. Dit maakt dat ondanks alle medisch-wetenschappelijke vooruitgang er voor de allergoloog nog steeds grote uitdagingen zijn in het behandelen en voorkomen van allergische reacties en ziekten, in het steeds zoeken naar effectievere behandelmethoden die leiden tot minder ziektesymptomen, betere kwaliteit van leven en lagere zorgkosten.
De afgelopen decennia is immunotherapie effectiever en specifieker geworden. Er is echter nog steeds behoefte aan het verder ontwikkelen van allergeen specifieke immunotherapie. En het is nog niet te voorspellen welke patiënten in exact welke mate op immunotherapie zullen reageren. Huidige wetenschappelijk onderzoek richt zich op het vinden van biomarkers die als voorspellende factoren en monitoringtools kunnen functioneren, onder andere om ernstige allergologische pathologie zoals anafylactische reacties te voorspellen. Meta-analyses en AI spelen hierin een steeds grotere rol.
Immunotherapie dient uitsluitend in de tweede lijn te worden geïnitieerd. Wanneer een symptomatische behandeling niet (meer) effectief is, kan de huisarts de patient het beste zo spoedig mogelijk doorsturen naar de tweede lijn. De patiënt hoeft niet onnodig te lijden. Er zijn veel goede behandelingen beschikbaar. De specialist neemt een uitgebreide anamnese af, doet het management van eventuele bijwerkingen en stelt de therapie per patiënt op maat af. Door nieuw onderzoek zal de behandeling in de toekomst naar verwachting steeds gerichter en meer gepersonaliseerd gebeuren, met een indeling per endotype, gebaseerd op de specifieke immunologische processen van de patiënt.
De kosten van immunotherapie zijn door het lange behandeltraject aanzienlijk. Toch is immunotherapie als behandeling van inhalatieallergie bewezen kosteneffectief. De economische en sociale impact van onvoldoende gecontroleerde astma en allergische rhinoconjunctivitis op de maatschappij (ziekteverzuim en verlies van arbeidsproductiviteit) en de patiënt (kwaliteit van leven) is enorm. Terwijl effectieve behandelingen er weldegelijk zijn. De bewustwording hiervan bij patiënten en zorgverleners kan nog beter.
Voor optimale behandeling is er meer nodig dan onderzoek en bewustwording. Als arts worden we dagelijks geconfronteerd met overbelaste patiëntenzorg en lange wachttijden. Mogelijke oplossingen hiervoor zijn gemakkelijk op papier te zetten, maar voor de uitvoering in de praktijk ligt dit helaas anders. Voor allergologische patiënten, van wie de meerderheid uitsluitend poliklinische zorg nodig heeft, is er grote behoefte aan gespecialiseerde allergiecentra zonder wachttijden die de reguliere ziekenhuiszorg kunnen ontlasten. Er zijn momenteel echter niet voldoende allergologen om de groei van deze centra mogelijk te maken. Dit komt mede omdat studenten geneeskunde pas laat (en weinig) worden blootgesteld aan dit complexe maar fascinerende vakgebied. Andere ogenschijnlijk meer ‘spectaculaire’ vakgebieden zijn hierin assertiever. Het is zaak om studenten al vroeg in hun opleiding actief te interesseren voor dit vakgebied, waar nog zoveel te winnen is in wetenschappelijke kennisontwikkeling en verbetering van patiëntenzorg in al haar aspecten.