Immunologische biomarkers voor immunotherapie
Immunotherapie is een bijzonder effectieve behandeling tegen veel voorkomende allergieën. Grofweg een derde van de patiënten heeft tachtig procent of meer klachtenvermindering na immunotherapie, een derde ongeveer vijftig procent en een derde ongeveer twintig procent of minder. Om duurzaam effect te bewerkstelligen, is de duur van de behandeling minimaal drie jaar, een forse investering voorpatiënten en de gezondheidszorg.
Hoewel immunotherapie al een eeuw wordt toegepast, kunnen we van tevoren nog steeds niet goed voorspellen wie goed zal reageren op de behandeling en wie niet. Een relevante groep patiënten ervaart ondanks langdurige behandeling onvoldoende klinisch effect.
Twee factoren kunnen een invloed hebben op de effectiviteit. Therapietrouw en leeftijd. De eerste factor spreekt voor zich. Er zijn aanwijzingen dat leeftijd invloed kan hebben op de immunologische respons. Een verklaring hiervoor is dat de flexibiliteit en effectiviteit van het immuunsysteem om tolerantie op te bouwen tegen allergenen afneemt met de leeftijd (immunosenescentie). Er zijn echter genoeg voorbeelden van jonge patiënten die niet reageren op immunotherapie en ouderen die er heel veel baat bij hebben.
Al decennialang proberen onderzoeksgroepen ‘harde’ biomarkers te identificeren die voorspellen welke patiënten goed zullen reageren op immunotherapie en welke patiënten niet. Het onderzoek richt zich op twee typen biomarkers: klinische biomarkers (klachten) en biologische biomarkers (bloedwaarden).
Er zijn steeds meer aanwijzingen dat de specificiteit van de allergie een rol speelt bij de effectiviteit van immunotherapie. Hoe duidelijker de relatie tussen relevante allergeenblootstelling, sensibilisatie en klachten, hoe groter de kans dat de behandeling aanslaat. Hetzelfde geldt voor de ratio van specifiek IgE tegen een bepaald allergeen ten opzichte van totaal IgE in het bloed. Een hogere ratio tussen allergeen-specifiek IgE en totaal IgE is in verschillende studies geassocieerd met een betere respons op immunotherapie. De voorspellende waarde is echter onvoldoende gevalideerd om te gebruiken bij behandelbeslissingen. Ik zie dit zelf ook in mijn praktijk. Heeft de patiënt een duidelijk verhaal van blootstelling aan een bepaald allergeen en duidelijke klachten die hierbij horen, dan is in mijn ervaring de kans groter dat immunotherapie aanslaat vergeleken met een patiënt bij wie dit niet het geval is.
Ondanks dat er al zo lang naar wordt gezocht, is nog geen gevalideerd onderzoek gepubliceerd van hard voorspellende biomarkers.
Ik denk dat dit komt omdat we onvoldoende begrijpen wat er precies gebeurt gedurende het proces van desensibilisatie. Wat we wel weten is dat de totaal-IgE niet op een manier verandert die goed correleert met klinische respons en dat bij high responders van immunotherapie het IgG4 meer toeneemt dan bij low responders. IgG4 heeft in dit kader een immuun-remmend effect. Waarom dit bij de één meer gebeurt dan bij de ander, is niet goed bekend.
Gedurende het proces van immunotherapie verandert niet alleen de hoeveelheid (blokkerende) antistoffen, maar ook de cellulaire immuunrespons. Onder andere regulatoire T- en B-cellen en allergeen-specifieke geheugen-B-cellen spelen hierbij een rol. De samenhang tussen deze verschillende mechanismen lijkt bepalend voor succesvolle immunotherapie, maar dat proces moet nog ontrafeld worden.
Als klinisch practicus heb je hier op dit moment niet zo veel aan. Daarom is het advies dat ik mijn collega’s wil geven van praktische aard. Op basis van de huidige stand van zaken lijkt een zorgvuldig afgenomen allergologische anamnese namelijk nog altijd waardevoller voor patiëntselectie dan welke afzonderlijke laboratoriumbiomarker dan ook.